‘Ontsteld aanschouwde je het gruwelijke tafereel, stikte bijna in je op hol geslagen ademhaling. Maar je herpakte je opvallend snel, trok het ontzielde lijf, dat zich in zijn rigor mortis aan Anna had vastgeklampt, van haar af en sleurde het naar de hoek waar enkele kratten naar beneden waren gestort. Daar douwde je het lijk onder het puin en trok er het tentzeil overheen waarmee de kratten afgedekt waren. Anna was inmiddels omhoog gekrabbeld en stond daar, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, de resten van haar gescheurde panty op te hijsen en het vuil er vanaf te kloppen. Zonder enig spoor van emotie betastte zij de striemen om haar nek, terwijl jij stond te trillen als een rietje.  Op het moment dat het je zwart voor de ogen werd, deed zij een stap voorwaarts en drukte je stevig tegen zich aan. Zij streelde je haar en verzekerde je dat alles goed zou komen. Nee, echt niet, het had geen enkele zin om naar de politie te gaan, daar zou niemand wijs van worden, het zou alleen maar extra ellende opleveren. En op je smekend uitgesproken vraag hoe het toch mogelijk was dat zij zich zo snel van zo’n verschrikking kon herstellen, antwoordde ze dat het de enige manier was om te overleven. ‘En leven, dat wil ik als nooit tevoren, want ik heb nog zo vreselijk veel in te halen.‘